Welkom op de website van het geslacht de Koning / Koningen
HET GESLACHT de Koning / Koningen update 27-04-2010
Een korte beschrijving van de Stamboom de Koning
Er bestaan meerdere stambomen de Koning. Deze stamboom gaat uit van de nazaten van
Cornelis de Koning, geboren 25-5-1863 en overleden 24-12-1954, terug naar de oudste
gevonden stamvader, Jan Jansz. Koning, overleden plm 1711 in Aalsmeer. Daarbij zijn
ook de zijtakken zoveel mogelijk in kaart gebracht.
In het verleden was het gebruikelijk ook familienamen
te gebruiken. Soms werd een familienaam gekozen, dat een relatie had met werk of
omgeving. Hoe kwam men dan aan de naam de Koning?. Dat zal altijd een vraag blijven.
Ook de schrijfwijze van de achternaam was in het verleden niet constant. Analfabetisme
was veel voorkomend. De schrijfwijze werd fonetisch bepaald. Hoe sprak men het uit?
Hoe verstond men het? De veel voorkomende registratie was de kerkelijke registratie
in de doop- trouw- en begraafboeken. Deze boeken waren kwetsbaar, zoals bij godsdienstoorlogen,
maar ook bij brand. Bij een brand in de pastorie in Roelofarendsveen in 1776 zijn
die boeken verloren gegaan en daarmee ook gegevens over de Koning. Ook de familienaam
de Koning kent enkele schrijfvarianten. Het voorvoegsel “de” werd in het begin niet
geschreven. De oudste beschrijving is van 1695 van de oudste stamvader. Dit is Jan
Jansz Koningh. In het eerste kwart van 1700 werd het Koning. Tot aan zijn kleinzoon,
Jan Jansz Koning bleef dit zo. Bij het kerkelijk huwelijk van deze kleinzoon in
1745 werd zijn achternaam geschreven als Keuninge. Dit in tegenstelling tot zijn
burgerlijke huwelijk. Bij zijn ondertrouw (1730), huwelijksaantekening en huwelijksakte
(1732) werd zijn achternaam geschreven als Koning. In zijn overlijdensakte (1763)
kwam het voorvoegsel voor en werd het de Koning. Varianten als Kooning en de Kooning
komen ook voor. Rond 1750 werd de familienaam geschreven als de Koning. Daarna is
dit zo gebleven. Toch gebeurt eind 1700 nog iets bijzonders met de familienaam.
De kleinzoon Jan Jansz Koning krijgt 12 kinderen. Zij hebben allemaal de achternaam
de Koning. Met zijn tweede kind, zoon Hermanus, verandert er iets. Waarom dit gebeurt
en wanneer is niet precies vast te stellen. Wanneer hij in 1802 trouwt heeft hij
als achternaam Koningen. Dit blijft zo en zijn verder generatie draagt de achternaam
Koningen. Er is een heuse stamboom Koningen. Deze stamboom is uitvoering beschreven
in het boek “Aalsmeerse stambomen” van Herman Koningen. De stamvader Jan Jansz
Koning heeft daardoor twee stamboom voortgebracht, een stamboom de Koning en een
stamboom Koningen. Koningen maken een wezenlijk onderdeel uit van de stamboom de
Koning en andersom. Daarom is in deze stamboom een deel van de tak Koningen ook
opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van de gegevens uit het boek van Herman Koningen.
Begin 1800 vestigt Pieter de Koning en Matje van der Wilster (Wildster) zich kennelijk in Loosdrecht.
Hun kinderen worden daar geboren, trouwen in die gemeente en krijgen kinderen. Bij deze
tak wordt het voorvoegsel "de" wisselvallend wel of niet geschreven.
In de Franse tijd, rond 1800, komt er ordening in de registratie van geboorte, huwelijk
en overlijden door de overheid. Vanaf 1811 wordt door de regering van Napoleon Bonaparte
de Burgerlijke Stand ingevoerd. Nu is er in het hele land een eenvormige registratie
van geboorte, huwelijk en overlijden.
Waar wonen de Koning in Nederland?
De naam de Koning is een veel voorkomende naam in Nederland. In één plaats komen
verschillende keren de naam de Koning voor zonder dat is vast te stellen of zij
familie van elkaar zijn. Bij de volkstelling van 1947 werd de naam de Koning 6984
geregistreerd. Op de volgende afbeelding van het Meertens instituut is te zien hoe
de spreiding van de Koning in Nederland was. In de provincie Zuid Holland woonden
de meesten de Koning.

De oudste stamvader woonde in Aalsmeer en daar vindt het geslacht de Koning zijn
oorsprong. Honkvast waren zij niet. Al heel vroeg trok de Koning “de wijde wereld
in”. Op 18 mei 1695 gaat de stamvader naar de Schout en Schepenen van Aalsmeer om
de vermissing van zijn tweede zoon op te geven. Zijn tweede zoon Pieter Jansz Koningh
is op 28 september 1692 vanuit Enkhuizen als matroos met de boot “de Waterman” vertrokken
naar Oost Indië. Op 29 april 1693 bij Kaap de Goede Hoop komt hij nog voor op de
betaalrol. Aangekomen in Batavia op 4 augustus 1693 maakt hij geen deel meer uit
van de bemanning. Aangenomen wordt dat hij is overleden. Tegelijkertijd blijkt de
eerste zoon van hem, Jan Jansz, “uytlandig”.

| Het fluitschip de Waterman was in gebruik
bij de VOC vanaf 1692 en is gebouwd op de werf van Enkhuizen. Op 29 september
1692 vertrok het schip naar Batavia. Op 16 april 1693 kwam het schip aan
op Kaap de Goede Hoop. Op 7 december 1693 vertrok het schip weer uit Batavia
op weg naar Texel en kwam op 27 juli 1694 aan in Enhuizen. De schipper was
Klaas Jansz Neuselaar. Bron www.vocsite.nl/schepen/ |
Vanuit Aalsmeer zwerven de de Koning’s uit. Zij blijven
wel in de regio. Hun woonplaat-sen zijn rond de Westeinderplassen. Alle plaatsen
rond de Westeinderplassen werden of worden bewoond door loten uit deze stamboom
de Koning. In het begin trekken ze naar Alkemade en Roelofarendsveen. Daarna ook
in Leimuiden, Kudelstraat, Oude Wetering, Nieuwe Wetering, Nieuwveen, Uithoorn en
vele andere plaatsen. Uiteindelijk vertrekt Franciscus de Koning in 1864 vanuit
Oude Wetering naar het dorp Amstelveen.

Het leven van de Koning
De Koning’s zijn eenvoudige arbeiders geweest. In het begin was het voornamelijk
veenman, veenwerker en tuinder. Van Aalsmeer tot rond de Westeinderplassen was veengebied,
waar het veen werd ontgonnen als brandstof. De vruchtbare gronden waren geschikt
voor tuinbouw. Toen de polder Haarlemmermeer werd droog gelegd, vertrokken veel
leden van de stam Koningen naar de Haarlemmermeer om daar hun brood te verdienen
als tuinder.
Timmerman/aannemer is ook een beroep, dat frequent in de stamboom de Koning voorkomt.
De eerste die bekend is, is Hubertus de Koning (1800-1870). Van eerdere stamboomleden
is dit nagenoeg niet bekend. Een registratie van het beroep was in die tijd sporadisch
en was alleen terug te vinden in bijzondere documenten. Enkele stamleden zijn als
timmerman bertokken geweest bij de bouw van bijzondere gebouwen. Genoemde Hubertus
en zijn neef Jacob de Koning (1817-?) schrijven in op een advertentie tot aanbesteding
van de bouw van de kerk in Roelofarendsveen. De bouw wordt gegund aan Jacob de Koning
als laagste inschrijver. In een boek over de geschiedenis van Roelofarendsveen wordt
uitvoering beschreven hoe de bouw van de kerk St. Petrus Banden verliep. De pastoor
moest bij elke termijn alle zeilen bij zetten om de termijnbetaling te kunnen doen,
terwijl Jacob de Koning verweten werd traag te zijn met het bouwen. De kerk werd
uiteindelijk vele maanden later opgeleverd.
Franciscus Gerardus de Koning (1828-1899) heeft een aandeel gehad in de bouw van
de St. Urbanus te Bovenkerk. In 1896 heeft het bestuur van de gemeente Nieuwer-Amstel
besloten een nieuw stadhuis te bouwen. Cornelis de Koning (1868-1954)
heeft op de bouw ingeschreven voor f. 14.445,-. Daarmee was hij de laagste, maar
het bleek dat nog er nog een inschrijving was voor hetzelfde bedrag, W Kroon. Het
gemeentebestuur van Nieuwer-Amstel heeft toen besloten de bouw te gunnen aan W.Kroon
met de toevoeging: "....met welke gunning echter plaats heeft in het vertrouwen,
dat hij het werk met den heer C. de Koning voor gezamenlijke rekening uitvoert,
terwijl in dien het tegendeel mocht blijken, de gunning op nieuw zal plaats hebben
en wel bij loting omdat beiden even hoog hebben ingeschreven." Cornelis de Koning
heeft een punctuele administratie bijgehouden van al zijn uitgaven. Periodiek werd
door W.Kroon de uitgaven gecontroleerd en afgetekend. Uit dit “kas”boek blijkt,
dat Cornelis de Koning aan het stadhuis heeft gebouwd van augustus 1896 tot en met
oktober 1897. De uitgaven vielen hoger uit dan waarvoor was ingeschreven, namelijk f. 16.395, 35.
Het ging niet altijd goed met het timmerbedrijf. Hermanus Johannes de Koning (1826-1888)
is timmerman in Kudelstaart. Op 3 juli 1868 wordt hij failliet verklaard. Het faillissement
wordt in de krant gepubliceerd. Ook Franciscus Gerardus de Koning (1828-1899) heeft
een moeilijke start. In 1864 heeft hij een timmerbedrijf in Oude Wetering, waar
hij failliet wordt verklaard. Hij vertrekt dan met zijn vrouw Hendrika Broekhuizen
naar het dorp Amstelveen. Zij gaan wonen in Dorpstraat 69, dat Hendrika Broekhuizen
uit de erfenis van haar ouders heeft gehad. Dit pand blijft tot 1982 in de familie.
In Amstelveen gaat het goed met Franciscus Gerardus. Tegen het eind van zijn leven
gaat hij omroerend goed kopen. Enkele onderdelen verkoopt hij weer door aan zijn
zoon Cornelis de Koning (1868-1954). Na zijn overlijden krijgt zijn oudste zoon
Hubertus (1862-1918) al het geld uit de erfenis en zijn tweede zoon Cornelis alle
onroerende goederen.
Het welzijn van de meeste stamboomleden is gewoon. Ze zijn niet armlastig, maar
leven ook niet in rijkdom. Bij het grootste deel van de opgemaakte aktes staat vermeld
dat deze aktes pro deo zijn opgemaakt. Of wel er was geen geld om de leges te betalen.
Maar uitzonderingen zijn er. In 1791 gaat Johannes de Koning (±1766-1844) in ondertrouw
met Antje Jacobsd Akerboom. Zij betalen f. 12,- legeskosten (f. 6,- voor elk). Ook
eerder in de geschiedenis vindt een opmerkelijk financiële regeling plaats. Op 9
april 1721 gaat Marritje Jans. Klien, weduwe van Jan Jansz. Koning (overleden ±1717)
naar de rechter om de erfenis voor haar kinderen Geertje de Koning, 22 jaar, Jan
de Koning 16 jaar en Pieter Jansz. De Koning, oud 11 jaar te regelen. Op de leeftijd
van 25 jaar ontvangt ieder f.50,--, met uitzet en bruids- of bruidegomspak ad f.33,--.
Op 29 september 1723 is Geertje Jans Koning (1698-1740) 25 jaar en krijgt haar erfdeel
van f. 83,-, waarvan f. 50,- contant en f. 33,- voor een bruidspak.
Op 29 november 1730 is Jan Jansz Koning (1705-1762) 25 jaar en krijgt zijn erfdeel
van f. 83,-.
Op 7 november 1734 is Pieter Janz Koning (1710-1773) 25 jaar en krijgt zijn erfdeel
van f. 83.-.
Zoals gezegd floreert het timmerbedrijf van Franciscus Gerardus de Koning ((1828-1899).
Het bedrijf wordt overgenomen door zijn zoon Cornelis de koning (1863-1954). Het
timmerbedrijf blijft zich goed ontwikkelen. Na het overlijden van zijn tweede vrouw
en voor zijn derde huwelijk met Jakoba van der Meer wordt ten behoeve van de verdeling
van de erfenis na zijn overlijden een zogenaamde Scheidingsakte opgemaakt. Hierin
wordt een opsomming gedaan van alle bezittingen die Cornelis de koning op dat moment
heeft. Naast een beschrijven van de onroerende goederen en hun waardebepaling blijkt
ook, dat er op dat moment f. 3137,37 aan contacten waren en voor een bedrag van f.
4893,17 aan effecten en obligaties. We spreken dan over 21 mei 1901.
Zoals bij vele gezinnen in de 18e en 19e eeuw is er ook veel leed. De gezondheidszorg
had niet het hedendaagse niveau. Kindersterfte kwam veelvuldig voor. Geboorte en
sterfte van een kind in een en hetzelfde jaar is geen uitzondering. Jacob de Koning
(1785-1868) en zijn vrouw Alida van Veen krijgen 9 kinderen. Zes kinderen worden
niet ouder dan 1 jaar. Zijn jongste kind overlijdt als hij 21 jaar is. Zijn oudste
zoon en zijn vijfde kind stichten een gezin. Zijn vijfde kind, vader van een gezin,
overlijdt op 28 jarige leeftijd. Zijn oudste zoon overlijdt op 52 jarige leeftijd.
Daarmee overleeft Jacob de Koning en zijn vrouw alle kinderen.
Het overlijden in het kraambed van de vrouw is ook een terugkerende angst. Wat moet
je dan als man in een tijd waarin sociale voorzieningen nog niet bestonden en je
kleine kinderen te verzorgen had.
Antje Jacobsd Akerboom, echtgenote van Johannes de Koning (±1766-1844) overlijdt
in 1798, één jaar na de geboorte van haar jongste kind. Een jaar later hertrouwt
Johannes met Maria van der Meer. Ook zij komt voortijdig te overlijden. Zij overlijdt
in april 1814 en het jongste kind is dan 8 jaar. In juni 1814 hertrouwt Johannes
voor de derde maal met Anna de Jong. Beide echtelieden overlijden in 1844.
Marijtje Jacobsd Koek, echtgenote van Dirk Jansz de Koning (1748-1805), overlijdt
in 1801. Haar jongste kind is dan 10 jaar. Drie jaar later, 1804) hertrouwt Dirk
Jansz met Pieternelletje van der Geer.
Niet alleen de mannelijke afstammeling hebben met het vroegtijdig overlijden van
hun partner te maken. Lijsbeth Jans de Koning (±1668) trouwt op 7-2-1712 met Sijmen
Roelen. In 1720 hertrouwt zij met Barent Mouritsz Kemper.
Gerarda Cornelia Hogendorp trouwt op 22-4-1861 met Petrus Jacobs de Koning (1835-1881).
In 1866 één maand na de geboorte van haar dochter komt zij te overlijden. Petrus
Jacobus heeft drie kleine kinderen te onderhouden. Op 13 mei 1868 hertrouwt hij
met Wilhelmina van der Meer. Twee maanden na de geboorte van haar zoon overlijdt
zij in januari 1873. Petrus Jacobus heeft nu vijf kleine kinderen te verzorgen.
Op 19-11-1874 hertrouwt hij met Dorothea Wilhelmina Lefeber. Petrus Jacobus krijgt
bij de drie vrouwen 10 kinderen. Zes daarvan overlijden binnen hun tweede levensjaar.
Ook Cornelis de Koning (1863-1954) heeft met het overlijden van zijn echtgenoten
te maken. Zijn eerste vrouw, Petronella Schrama, komt in juni 1890, één maand na
de geboorte van haar dochter te overlijden. Cornelis heeft dan twee kleine kinderen
te onderhouden. Op 30-9-1891 hertrouwt hij met Catharina Krauwer. Ook zijn tweede
vrouw komt vroegtijdig te overlijden. Op 27 september 1900 komt zij te overlijden.
Zes maanden daarvoor is zij bevallen van een dochter. Er zijn nu 7 kinderen in het
gezin de Koning. Op 22 mei 1901 hertrouwt Cornelis voor de derde maal met Jakoba
van der Meer. Ook deze derde echtgenote overleeft hij. Zij overlijdt in 1943. hij
overlijdt in 1954. Cornelis de Koning krijgt bij deze drie vrouwen 24 kinderen.
Vijf kinderen overlijden binnen het eerste levensjaar. Dertien kinderen stichten
een gezin.
Enkele merkwaardigheden
In Den Haag is het in de 19e eeuw kennelijk gewoonte, dat de vroedvrouw aangifte
doet van de geboorte. Op 2 november 1899 wordt een kind geboren van Franciscus de
Koning (1868-1942). Het kind krijgt de namen Theodorus Johannes Franciscus. In de
kantlijn van de geboorteakte is opgenomen, dat bij het vonnis van het arrondissementsrechtbank
te Den Haag van 8 mei 1903 en in het geboorteregister ingeschreven 10 oktober 1903,
is beslist dat het kind, zoals in de akte staat vermeld, niet van het mannelijke,
maar van het vrouwelijke geslacht is. De voornamen Theodorus Johannes Franciscus
moeten daarom zijn Theodora Johanna Francisca.
Op 30 januari 1776 is in Roelofarendsveen de pastorie verbrand en daarmee ook de
doopboeken. Van enkele kinderen is daarom ook geen geboortedatum te vinden. De brand
van de pastorie heeft het leven gekost van de toenmalige pastoor Du Pré en heeft
voor veel commotie gezorgd in het veendorp Roelofarendsveen. Nadat de brand in de
pastorie was geblust, de pastorie was nagenoeg geheel verloren, werd onder de verbrande
resten het lijk van de pastoor aangetroffen. "Beide benen waren vanaf de dijen verdwenen,
evenals het hoofd en een gedeelte van de linkerarm". Zo staat onder meer beschreven
in het Rechterlijk Archief van Alkemade. Het gerucht ging de ronde dat de jansenistische
katholieke pastoor was onthoofd. Baljuw Bax heeft direct een onderzoek ingesteld
en uiteindelijk is het onderzoek overgedragen aan "Haar Edele Groot Mogende Heeren
Staten van Holland en Westvriesland." Op 12 februari 1776 werd in de herberg "De
vier Heemskinderen" een aantal getuigen gehoord, onder andere "Pieter de Koning,
36 jaar" en zijn vrouw Jannetje van den Bergh (Petrus Jansz de Koning, 1738-1801).
Pieter en zijn vrouw werden omstreeks 19.00 uur gewaarschuwd door de zusters Jannetje
en Trijntje van Klink, die even ten noorden van de kerk woonden, dat er vlammen
en rook uit het dak van de pastorie kwamen. Pieter woonde aan de Kerkwerf. Hij heeft
geprobeerd met een stuk hout de deur van de pastorie te forceren om de pastoor te
kunnen redden, wat hem niet lukte. Verwondering was er alom, dat de nabij gelegen
woning van Cornelis Akerboom door vele mensen nat werd gehouden om te voorkomen,
dat de woning ten prooi viel aan het vuur, maar niemand pogingen ondernam om de
brand in de pastorie te bestrijden. Pieter de Koning is samen met nog enkele anderen,
nadat het vuur was geblust, waakzaam geweest bij het na smeulende vuur en getuige
van het vinden van het lijk van de pastoor.
Dezelfde Petrus Jansz de Koning doet aangifte van het overlijden van zijn zoon.
De naam van de vader wordt geschreven als Pieter Jansz Kooning. Hij kan niet schrijven
en ondertekent de akte met een kruisje. De ambtenaar was kennelijk niet goed wakker.
Bij het gezette kruisje schreef de ambtenaar: "dit merk stelde Pieter Jansz Wigman".
De akte direct boven de aangifte van Petrus (Pieter) Jansz de Koning stond op naam
van Jan Wigman. Direct onder deze naam volgde de naam van Petrus (Pieter) Jansz
de Koning. De namen stonden dus onder elkaar. Toen de ambtenaar de opmerking bij
het kruisje schreef, keek hij kennelijk naar boven voor de achternaam en nam de
verkeerde naam over.
Het stadhuis van Amstelveen
Een van de bouwwerken van Cornelis de Koning (1863) is de bouw van het
stadhuis in Amstelveen. hieronder een korte geschiedenis over het stadhuis van
Amstelveen.
Historie Amstelveen en het Oude Raadhuis van Amstelveen
Het oude dorp is omstreeks de 12e eeuw ontstaan.
In de 17e en 18e eeuw groeide Nieuwer Amstel uit tot een eenvoudig maar
welvarend dorpje met een aantal herbergen, winkels en ambachtelijke bedrijfjes.
De meeste dorpelingen verdienden de kost op de landerijen en veenderijen rondom.
Eeuwenlang was Nieuwer-Amstel bestuurd vanuit het rechthuis in Amstelveen, maar
dat had zo geleden van de oorlog met de Pruisen, dat het moest worden
afgebroken(1787). Het gemeentebestuur ging toen vergaderen in de verspreid door
de gemeente liggende herbergen.
In 1892 werd aan de Amstel, nabij de Berlagebrug, het nieuwe raadhuis in gebruik
genomen, ontworpen door Roelof Kuipers. Maar in 1896 annexeerde Amsterdam een
groot deel van het dichtbevolkte noordelijk deel van Nieuwer-Amstel, met
raadhuis en al.
Het aantal inwoners, op 31 december 1895 nog ruim 34.000, was door deze
gebiedsverkleining gedaald tot een kleine 5.500.
Op 1 mei 1896 machtigde de raad B & W om van de weduwe Werkhoven de achterzaal
van haar koffiehuis te huren (nu café-restaurant Het Dorstige Hert in de
Dorpsstraat), voor het houden van raadsvergaderingen en het sluiten van
huwelijken, voor het bedrag van ƒ 50,00 per jaar.
Er moest snel opnieuw een zetel voor het gemeentebestuur en zijn sterk gedunde
ambtenarenkorps worden opgetrokken. Op 25 juni 1896 besloot men een nieuw
gemeentehuis te bouwen op de plaats waar toen nog het Algemeen Wees- en
Armenhuis stond. De ingenieurarchitect was Roelof Kuipers. Begin juni van dat
jaar werd na een advertentie voor inschrijving/opdracht de Nieuwer-Amstelsche
aannemers W. Kroon en C. de Koning de opdracht gegeven het raadhuis te bouwen.
De bescheidenheid beheerste de gehele bouw. De bouw duurde van augustus 1896 tot
begin 1897. In totaal was met de bouw een bedrag van ƒ 14.500,00 gemoeid. Een
officiële in gebruikneming vond niet plaats.
Een gemeentelijke kroniekschrijver uit die tijd schrijft over het nieuwe
raadhuis:
"Het geheel toont ons een eigenaardigen stijl, die aan een oude ridder-hofstad
doet denken. Bepaald opmerkelijk is de volkomen omgekeerde orde van den toren.
In stede van steeds slanker te worden naarmate hij rijst, wat gewoonlijk het
geval is, groeit ons heertje al maar aan; hij kreeg ter verfraaiing en
beschutting een hoed op zijn bol, die ver buiten zijn schouders uitsteekt".
In 1925 was het raadhuisgebouw te klein geworden. Er werd besloten tot de
oprichting van een hulpsecretarie op het voormalige batterijterrein bij de Poel.
Het ruimteprobleem was hiermee echter nog niet opgelost. Decentralisatie van de
gemeentediensten vond plaats. Aan- en verbouwingen brachten af en toe weer een
tijdelijke verlichting, maar konden niet verhinderen dat er telkens opnieuw een
noodtoestand intrad.
Het oude dorp Amstelveen kon niet meer als kern dienen van een moderne plaats,
die acht jaar lang de snelst groeiende gemeente van Nederland was. Men
projecteerde een nieuw centrum rond Plein 1960, dat ook meer centraal lag in de
bebouwing, terwijl het oude dorp wat terzijde bleef liggen.
In 1963 was Amstelveen binnen de gemeente Nieuwer-Amstel zo dominerend
geworden, dat de officiële naam van het bestuursgebied Nieuwer-Amstel werd
veranderd in Amstelveen.
De gemeente blijft groeien; op dat ogenblik is nog maar één oplossing denkbaar:
de stichting van een nieuw raadhuis. In mei 1980 werd het nieuwe raadhuis, dat
achter het oude raadhuis(aan De Poel) is gelegen officieel geopend.
Het oude raadhuis was tot 1980 in gebruik van de gemeente. Het oude raadhuis
werd voor ƒ 1,00 verkocht en in verband met verzakking van het gebouw begin 1982
gesloopt. De architekt John Webbers uit Amsterdam begeleidde de herbouw van het
Oude Raadhuis. Na voorzien te zijn van een deugdelijke fundering is het pand in
min of meer dezelfde stijl weer opgebouwd. Sindsdien heeft een kantoorfunctie.
In oktober 1994 neemt SV lnterieurgroep (kantoorinrichting & interieurafbouw)
het pand in gebruik als showroom en infocenter.
De architect Roelof Kuipers(geboren 1855).
Hij was de eerste gemeenteopzichter van Nieuwer Amstel (1886-1890) en ontwerper
van de Nieuwer Amstelse Bronwaterleiding. Hij ontwierp eveneens het raadhuis van
Nieuwer Amstel aan de Amsteldijk (gebouwd in 1892) en de inmiddels gesloopte
watertoren aan de Amsteldijk (gebouwd in 1988).
| Verantwoording De stamboom de Koning / Koningen volgt de mannelijke afstammelingen. Van het gezin Jacobus de Koning - Neeltje Dirksz Zegstro wordt van de tweede zoon, Hermanus de Koning (1770-1843) gedurende zijn leven zijn achternaam veranderd in Koningen. Met die naam huwt hij ook. Hierdoor ontstaat er uit de stamboom de Koning een nieuwe stamboomtak met de achternaam Koningen. Deze tak is deels opgenomen in deze stamboom, waarbij gebruik is gemaakt van het onderzoek door Herman Koningen, beschreven in Aalsmeerse Stambomen, Stichting “Oud Aalsmeer” Commissie Genealogie, ISBN 90-800531-4-7 1993 |